Burgst: 800-jarig landgoed in 40-jarige stadswijk, deel 2

Geplaatst op: 19-07-2017 14:37

Zoals in deel 1 te lezen valt, is Burgst in de eerste zes eeuwen door geen van zijn tientallen eigenaars echt bewoond geweest. Daar kwam verandering in door toedoen van de jonge freule Johanna Crul uit ’s-Hertogenbosch, de admiraalsdochter die door haar vaders heldhaftige dood al op haar 17e vrouwe van Burgst was geworden.

Het landhuis of ‘Kasteel’ uit 1790 op een ongedateerde foto.

Het rijke weesmeisje van stand was een gedroomde partij voor ongehuwde mannen die hogerop wilden in de maatschappij. Met haar adellijke titel, grote vermogen en een eigen landgoed was ze voor carrièremakers in de dop al helemaal een regelrechte magneet. Cornelis Jan Wouter Nahuys (1762-1831) was één van hen. En de veelzijdig getalenteerde, jonge jurist van Zeeuwse origine greep zijn kans. Op 8 januari 1786 huwde hij zijn 21-jarige ‘Anna’. Zelf amper 23, werd Cornelis Jan Wouter zo de nieuwe heer van Burgst. Want zo ging nog altijd bij de adel: alle bezit en titels kwamen de man toe.

Links: Het 18e-eeuwse famiilewapen Crul de Burgst, dat ook door de jonge freule Anna werd gevoerd. Rechts: De officiële laatste steen, ingemetseld boven de zolderdeur van het landhuisLinks: Het 18e-eeuwse famiilewapen Crul de Burgst, dat ook door de jonge freule Anna werd gevoerd. Rechts: De officiële laatste steen, ingemetseld boven de zolderdeur van het landhuis

De uitgeslapen ‘C.J.W.’ zou al spoedig verder klimmen op de sociale ladder. Waarover dadelijk meer, want laten we eerst de omslag naar de permanente bewoning van de heerlijkheid Burgst nader toelichten.

De aanleiding voor die grote verandering kwam, nadat het jonge echtpaar zijn eerste vier huwelijksjaren in Den Bosch had gewoond. Precies twee weken in hun vijfde jaar samen brandde op vrijdag 22 januari 1790 de Kleine Hoeve van Burgst tot de grond toe af. Niet het oorspronkelijke middeleeuwse pand – dat was al in 1624-’25 bij Spínola’s beleg van Breda in de as gelegd - maar de in 1630 herbouwde boerderij. Mogelijk had Nahuys al weleens een statusverhogende verhuizing naar zijn heerlijkheid overwogen; het kan ook zijn dat de catastrofe zelf hem op het idee bracht; misschien rijpte het plan zelfs pas gaande de prompt aangevangen (2e) herbouw van de Kleine Hoeve. Hoe dan ook, zodra de boerderij in oude glorie was hersteld, liet Nahuys in de zuidelijkste punt van Burgst het Frans-classicistische landhuis optrekken dat er nu nog altijd staat. Als was het één doorlopend programma, ging de bouw in één moeite door; er werd niet eens een officiële eerste steen gelegd. De data waartussen het landhuis verrees, zijn exact bekend: van 10 juli tot 11 december. De bouw werd - even officieel als origineel – besloten met het inmetselen van de laatste steen, bovenin het huis: boven de zolderdeur. Nog vóór het jaar 1790 verstreken was, betrok het echtpaar zijn nieuwe woonst.


Maar ook buiten Burgst kon de nieuwbakken ‘kasteelheer’ zijn draai prima vinden. Talrijke riant gehonoreerde overheidsbetrekkingen zijn van hem bekend, zoals ontvanger van de Domeinen en thesaurier – later zelfs drossaard - van Breda. De schrandere Zeeuw (ver)kende alle gangen en gangetjes in de overheidsgebouwen van het Brabantse gewest, wist letterlijk en figuurlijk daar alle ambtelijke sluiproutes en reeg met schijnbaar groot gemak tal van lucratieve nevenfuncties en representatieve bijbanen aaneen. Qualitate qua en anders wel als getuige plaatste hij zijn handtekening onder honderden officiële stukken, zodat zijn naam nog altijd in veelvouden in overheidsarchieven is terug te vinden.

De Kleine Hoeve ca 1840. Potloodtekening uit een van de schetsboekjes van de plm. 18-jarige Carel Huysers, de jongste zoon van kerkarchitect Pieter Huysers (Antoniuskathedraal), die ook de gietijzeren tombe ontwierp.(uit privécollectie)De Kleine Hoeve ca 1840. Potloodtekening uit een van de schetsboekjes van de plm. 18-jarige Carel Huysers, de jongste zoon van kerkarchitect Pieter Huysers (Antoniuskathedraal), die ook de gietijzeren tombe ontwierp.(uit privécollectie)
 

Nahuys, die als bewoner van zijn eigen grond een nieuw tijdperk voor Burgst had ingeluid, stond tegelijkertijd aan het eind van een zeer oude traditie. Nadat in 1795 de Bataafsche Republiek was ingesteld,  bleek C.J.W. de laatste leenman van de heer van Breda te zijn geweest. Alsook van de Brabantse hertog, waar het de Singeltjes betrof (zie deel 1). De Burgst was daarom officieel geen heerlijkheid meer, maar feitelijk veranderde er niets op het landgoed, zoals het nu te boek stond. Het echtpaar Nahuys-Crul bleef gewoon zijn landhuis bewonen en de polderpopulatie bleef het pand als vanouds ‘het kasteel’ noemen. Overigens bezat het paar ook een huis in de (bocht van de) Catharinastraat.

Voor zijn carrière had de val van het Ancien Régime evenmin consequenties. Behendig stapte de liberale protestant over in de Bataafsche banencarrousel. De stroom door hem (mede) gesigneerde documenten droogde dan ook niet op. Des te wonderlijker, dat voor zover valt na te gaan, geen enkele beeltenis van de goede man bewaard is gebleven.

Wat alleen al jammer is, omdat Cornelis J.W. Nahuys zeer tot de verbeelding van de Beemdenpopulatie sprak - en dan wil een mens vanzelf ook weten hoe zo’n man eruitzag. Die vreemde fascinatie met de heer van Burgst had te maken met diens hang naar wetenschap en mystiek. CJW was namelijk ook nog eens een begaafd wis-, natuur- en sterrenkundige. Omdat ie niet op de centen hoefde te letten, verwierf hij grote, kostbare collecties uurwerken, boeken en instrumenten (die nu in het Boerhavemuseum in Leiden bewaard worden).

Onwereldse gloed tussen de bomen, ’t vonkt en knettert

Opgravingen op locatie Singeltjes in de zomer van 1970.Opgravingen op locatie Cingeltjes in de zomer van 1970.

Met dat instrumentarium placht hij vaak tot diep in de nacht wetenschappelijke experimenten te verrichten. Dan brandden alweer de lichten op het ‘Kasteel’ - het leek warempel wel of die man nooit sliep. En als Nahuys dan ook nog proeven deed met zijn zeldzame, dus hoogst ongewone elektriseermachine, dan zagen de omwonenden een onwereldse gloed tussen de bomen van Burgst. Dan vonkte en knetterde het en vlamde het bijgeloof van de ongeletterde plattelanders – die landgoederen sowieso als duivelsoorden vreesden - tot griezelige hoogten op. Er kwamen ook schrikwekkende meldingen van boeren die hadden gezien dat de kasteelheer met zijn ‘tovermachines’ kikkers kon laten dansen - wat met een elektriseermachine vast een koud kunstje moet zijn geweest.
Jazeker, de nieuwe heer van Burgst ’bleek’ een tovenaar te zijn die duivelskunsten beoefende. Zoveel stond voor zijn analfabete omgeving wel vast. En toen gaandeweg bekend werd dat Nahuys – ook dát nog! - vrijmetselaar was, vonden de Beemdenbewoners ’s mans sinistere aard wel helemaal onweerlegbaar bewezen.

In werkelijkheid was Cornelis Nahuys een prominent lid van de eerbiedwaardige Bredase loge Het Vrij Geweeten. En ook daar klom hij op: na 9 jaar lidmaatschap bracht hij het in 1807 tot Eerste Grootopziener, een soort opper-vrijmetselaar dus.

Het standbeeld van jachtgodin Diana met hinde. Volgens een plaatselijke overlevering zouden de ogen van het standbeeld rood opgloeien in het duister. (Foto: Laurens Siebers)Het standbeeld van jachtgodin Diana met hinde. Volgens een plaatselijke overlevering zouden de ogen van het standbeeld rood opgloeien in het duister. (Foto: Laurens Siebers)

Intussen deed Nahuys belangwekkende wetenschappelijke waarnemingen. Zoals zeldzame en om hun nauwkeurigheid geprezen observaties van de zonsverduistering op 7 september 1820. Ook pionierde hij als weerwetenschapper. Aangesloten bij het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen verrichtte hij vanaf 1823 op zijn landgoed systematisch temperatuurmetingen. Nahuys was daarmee de eerste in de Baronie. Die bijzondere resultaten zijn gearchiveerd en komen bij regionale meteorologische studies door hun exclusieve karakter nog steeds van pas. Maar een van de weinige dingen die de gewaardeerde geleerde, wonderlijk genoeg, dan weer níet deed, was zijn bevindingen openbaar maken. Aan publiceren deed de excentrieke heer van Burgst niet.

En wie niet schrijft, niet blijft. Mogelijk kan dat voor een stukje verklaren waarom ’s mans wetenschappelijke reputatie in bekendheid door de tovenaarsmythe overtreffen wordt. Althans, twee volle eeuwen na dato blijkt de wijkjeugd verrassend genoeg nog altijd sterke verhalen door te vertellen over de ‘boze baron’, die door ‘bloedhonden’ omringd met zijn geweer op kinderen schiet, wanneer die zich op zijn landgoed wagen. Als ze zich tenminste al niet hebben laten afschrikken door het standbeeld van jachtgodin Diana , waarvan de vurige ogen rood opgloeien in het duister. De urban myth werd zomer 2006 door dagblad BN DeStem opgetekend, evenals trouwens de smakelijke ontkenning ervan door toenmalig landgoedeigenaar Egbert Smits. 

Nagedachtenis Kasteelheer letterlijk in ijzer gegoten

Freule Anna heeft er anders ook het hare aan gedaan, om haar gezichtsloos gebleven echtgenoot een opkontje naar onsterfelijkheid te geven. Immers nageslacht om in voort te leven was het anderszins gefortuneerde echtpaar niet beschoren - wat gezien ’s mans vele alternatieve nachtelijke verrichtingen niet echt kan verbazen.

19e-eeuwse tekening van de ijzeren tombe met vrijmetselaarssymbolen en natuurkundig instrumentarium.
19e-eeuwse tekening van de ijzeren tombe met vrijmetselaarssymbolen en natuurkundig instrumentarium.

Na Nahuys’ overlijden in mei 1831 besloot de weduwe haar eega’s nagedachtenis stevig bepantserd aan de eeuwigheid toe te vertrouwen. Letterlijk. Voor zijn graf op de net aangelegde protestantse begraafplaats van Princenhage - nu beter bekend als Haagveld - liet de rijke admiraalsdochter de Bredase (kerk) architect Pieter Huysers een nagenoeg onverwoestbaar en destijds voor ons land volstrekt uniek gedenkteken ontwerpen. Het werd een gietijzeren tombe van tweeënhalve meter hoog, dat uit speciaal in Deventer gegoten platen op de dodenakker werd opgebouwd. De wanden waren voorzien van in reliëf meegegoten opschriften van de hand van de Bredase notabele en landelijk bekende (taal) wetenschapper J. H. Hoeufft, alsook vrijmetselaarssymbolen en afbeeldingen van zeldzame instrumenten uit de collectie van de overledene, inclusief de roemruchte wrijvings-elektriseermachine (‘Zie je nou wel, tóch een tovenaar’).

De plaatsing van dit funeraire monument op 27 mei 1833, ’s mans tweede sterfdag, was landelijk nieuws. De faam van Cornelis Jan Wouter Nahuys, heer van Burgst, was nu zeker veiliggesteld. Alleen al door zijn formaat viel de tombe niet over het hoofd te zien.

In 2007 is het geval tot rijksmonument verklaard. Drie jaar later werd het grondig gerestaureerd, want het bleek toch iets minder tegen de eeuwen bestand dan de opzet was geweest. De plaatverbindingen waren doorgeroest, maar bij een gedeeltelijke restauratie in 1988 niet gerepareerd. Zó ver had de 19e-eeuwse ontwerper blijkbaar niet vooruitgekeken. Maar dat er na anderhalve eeuw zoiets onvoorstelbaars zou opdoemen als een gemotoriseerde grasmaaier die even de bocht niet goed kon nemen… dat had Huysers zich onmogelijk kunnen voorstellen. Ongemerkt begon de kolos te verzakken en in 1998 begaf de arduinen voet onder het aangetaste gietijzer het dan toch. Zo kon het gebeuren dat ‘Nahuys’, alle grandioze intenties van zijn weduwe ten spijt, er alsnog tien postume jaren voor schobberdebonk bijstond. 
Zonder man was voor Anna de lol er af. Al in 1835 verkocht zij de Grote Hoeve en flinke percelen van het landgoed. Het jaar daarop liet ze Nahuys’ instrumentencollecties veilen en stootte ze ook de panden af die hij 1790 op Burgst had laten bouwen: hun landhuis en de Kleine hoeve. Het resterende buiten en de opstallen zouden nog een generatie in de familie blijven, maar zelf verhuisde Anna al snel naar ‘wat kleiners’ in het dorp.

Tot aan haar dood in 1850 bleef Johanna Nahuys-Crul in Princenhage wonen. Ze werd op enige passen van haar man begraven, zij het niet onder diens monumentale tombe, maar onder een bescheiden zerk in de schaduw van zijn gepantserde ego. Alsof CJW zijn status als landheer níet aan haar te danken had gehad. Maar waarschijnlijk wilde de freule dat zelf zo.

Links; de Kleine Hoeve van Burgst, in 1969 gefotografeerd door C.Th Lohmann. Rechts; de Grote Hoeve van Burgst, in 1969 gefotografeerd door C.Th Lohmann. Links; de Grote Hoeve van Burgst, in 1969 gefotografeerd door C.Th Lohmann. Rechts; de KleineHoeve van Burgst, in 1969 gefotografeerd door C.Th Lohmann.

Bron: Stadsarchief Breda
Auteur: Leo Nierse




Terug naar de vorige pagina